Nederlandse overheid

In 2000 publiceerde het Ministerie van Buitenlandse Zaken een ambtsbericht, getiteld “Veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan (1978 – 1992)“. Centraal in dit document staat de vraag of, en zo ja welke, voormalige medewerkers van de Afghaanse veiligheidsdiensten zich schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen. Om deze vraag te beantwoorden is onder andere gebruik gemaakt van rapportages van de Nederlandse ambassade in Islamabad, rapporten van UNHCR, Amnesty International en UNHCR en vakliteratuur.

Een groot gedeelte van het Ambtsbericht betreft een samenvatting van de opkomst en ontwikkeling van het communistische regime in de periode 1978 – 1992, chronologisch gerangschikt naar de vier verschillende presidenten die Afghanistan in deze periode kende. Vervolgens gaat het Ambtsbericht in op de werkzaamheden van de diverse veiligheidsdiensten, met de name de KhAD en de WAD.

De belangrijkste conclusies uit het Ambtsbericht zijn als volgt:

  • De invloed van de KGB op het functioneren van de KhAD en de WAD was groot: zij waren feitelijk een verlengstuk van de KGB.
  • Marteling maakte integraal onderdeel uit van de ondervragingsmethodes van de KhAD en de WAD
  • Veel Afghaanse agenten leerden verhoortechnieken van hun Sovjet collega’s
  • Medewerkers van de KhAD en de WAD rouleerden regelmatig, soms verscheidene malen per jaar, van positie
  • Promotie binnen de KhAD en de WAD kon alleen plaatsvinden als de betreffende medewerker zijn loyaliteit had bewezen door mee te doen aan mensenrechtenschendingen.
  • Alle onder-officieren en officieren van de KhAD en de WAD hebben zich schuldig gemaakt aan mensenrechtenschendingen